Ecuador - Quito Airport

dinsdag 04 mei 2004 | Zuid-Amerika

Quito Airport

4 mei 2004, 7.30 uur

 

Vliegveldparanoiditiet. Mooi woord. Scrabble, drie keer woordwaarde: Vliegveldparanoiditeit! Mis drie keer een vliegtuig en je bent de rest van je leven gedoemd om heel erg lang op onmogelijke tijden op onoogelijke vliegvelden rond te hangen, omdat je als de dood bent dat je te laat komt. Dus daar zit ik. Weer. Een uur down, two to go.

         Ik ging dronken weg, en ik kom terug met een kater. Wel toepasselijk. Kees was de eerste persoon die ik zag in Ecuador, en de laatste. Mooi rond. Mooie dingen voor de mens. Circels. Het lijkt herman van Veen wel.

 

“Rond

als de wijnvlek van eergister

op het oude tafelblad”

 

Vliegveldromantiek. Ook een mooi Scrabble-woord (leg de V’s op drie keer letterwaarde). Had ik drie weken geleden nog mijn mond over vol toen ik naar de Galapagos vloog, over roken op een vliegveld om zes uur ’s ochtends en espresso’s halen voor vreemde New Yorkse advocates. Daar is weinig meer van over. Opkomende zonnen en glimmende vliegtuigvleugels en Jack Karouac my ass. Romantiek is mooi als je jong en fit en onderweg bent. Als je oud en brak en op weg naar huis bent blijft alleen de geur van verval over. Daar helpt geen Yves Saint Laurent tegen. Dood en verderf.

         God, wat ben ik brak zeg. Dat krijg je als je niks eet, zodat je zeker weet dat je maag klinisch volkomen leeg is, je er dan een bodempje carperinas in legt – een drankje waarvan je sowieso al weet dat het Spaans is voor “Spijt” – en dat aftapt met veel te veel bier, cerveza, pilsner - God wat spreek ik goed Spaans – en pak ‘m beet twee en een half pakje goedkope Ecuadoriaanse sigarillos. Muchas gracias. Maar zoals ik al zei: Circels. Mooi hoor.

         Ik hoop dat iemand geniet van de symmetrische schoonheid van dit alles. Ik in elk geval niet. Anderhalf uur down, anderhalf to go.

 

         Misschien is het the Guy Upstairs wel. Het Grote Brein achter dit alles. Misschien is ie wel gewoon pissed op me. Vanwege het continu misbruiken van Zijn Naam tijdens deze reis: “God bestaat niet, en zeker niet op de Galapagos”, “God bestaat wel en Hij woont in Cuenca, en ik zag trouwens gisteren zijn zoon nog in een tram”. En God zegt “Fuck you”, en plaatst je in een veel te klinisch ingerichte en veel te fel verlichte boarding room van het vliegveld van Quito met een kater van daar tot Tokyo, sloopt de batterijen uit alle klokken, en laat je als een soort Groundhog Day dagen lang dezelfde ochtendnachtmerrie ervaren. En bedankt.

 

         Ja, dit moet God zijn. Anders zijn de twee mensen tegenover mij niet te verklaren. Daar kan Darwin niet tegen op. Evolutie, ok,  maar dit valt buiten alle biologische variatie: de ene man is de Kleinste Man van Ecuador. Ik zweer het je. Dit is al een land vol dwergen, maar deze spant de kroon. Danny de Vito. In hoogsteigen persoon: Een meter vijftig, net iets te druk, zeg maar vadsig, en een matje. En een hele foute zonnebril. En een gouden voortand naast het gat waar de tweede moet komen als ie z’n volgende kraak heeft gezet. En maar driftig ronddribbelen op z’n iets te korte beentjes, en net iets te luidruchtig foute grappen maken en mensen op de schouders slaan en glimlachen met die gouden tand en heel erg crimineel om zich heen kijken met z’n matje.

         Maar ik denk dat ik de dwerg nooit gezien zou hebben zonder de man naast ‘m. naast de dwerg staat namelijk de Grootste Man van Ecuador. Ik zweer het je, alweer. Wat zeg ik: de hand van God. Dit verzin je niet. De reus doet me nog het meest denken aan die man uit een James Bond-film met die ijzeren kaken, alleen dan zonder de ijzeren kaken: minstens twee meter twintig, al is dat moeilijk in te schatten omdat ie steeds naast die dwerg staat, een veel te goedkoop trainingspak – waarschijnlijk het enige kledingstuk in zijn maat in heel Ecuador – en een intens treurige blik in zijn ogen die ik denk ik wel begrijp gezien zijn lengte. Ik heb de afgelopen maanden mijn hoofd al tegen elke deurpost gestoten waar ik onderdoor wilde, en in geen enkele bus kon ik mijn benen kwijt, laat staan de rest van mijn lijf, en ik ben nog maar half zo groot als deze gigant, die ongetwijfeld een hel van een leven moet hebben gehad in deze lilliputter-natie. Wat een verdriet zeg. Wat een lijden in zijn ogen. Zijn enige geluk is dat hij de enige is die niet door zijn drukke dwergvriend op de schouders geslagen kan worden. Dan mag die wel een ladder meenemen, de druktemaker.

 

         Ik neem alles terug wat ik gezegd heb. Over God dan. Ja, hij bestaat. En nee, niet alleen in Cuenca. Hij is overal. En vooral hier. En hij heeft deze Twins op mij afgestuurd om dat voor eens en altijd te onderstrepen. En als ik Hem nu nog niet geloof dan laat ie deze twee het vliegtuig kapen en in de Atlantische Oceaan storten als een straf voor mijn onwetendheid. Dus bij deze: Sorry! Heb genade! Laat mij veilig thjuiskomen, Heer. Nog een half uur. Dan vliegen we. Hasta la vista….

blijf op de hoogte van ernst