Bulgarije - Koprivschtitsa

dinsdag 17 juni 2008 | Europa

In Koprivschtitsa staat de tijd stil. Al vrij lang, zo te zien. Denk een paar kabels en Lada’s weg, en je bent honderd jaar terug in de tijd. Ruim honderd jaar. Honderd twee-en-dertig, om precies te zijn. “1876”, is een jaartal dat hier vaker voorkomt dan “2008”. Een opstand tegen de Turken, een paar gesneuvelde helden, meer heeft Koprivschtitsa niet om op te teren. Sindsdien heeft de tijd het dorpje links laten liggen.

 

Het mooiste in Koprivschtitsa is het kerkhof. Geen twijfel mogelijk. Al ben ik zo te zien de eerste en de enige die dat vindt. Ik houd van kerkhoven. Sowieso. Elk kerkhof vertelt een verhaal. Pere Lachaise in Parijs vertelt een groots verhaal over roem, heldendom en verering. Vorig jaar was ik in Death Valley op het meest desolate kerkhof ter wereld. Daar waren mensen met de grootste moeite in de keiharde grond gestopt, met rotsblokken waar nog net een jaartal en een geboorteplaats duizenden mijlen oostwaarts op waren gebeiteld. Een prachtig verhaal over onuitgekomen goud-dromen en zinloze ondernemingen.

 

Nog nooit heb ik een plek gezien die zo troostrijk onze vergankelijkheid liet zien als het kerkhof van Koprivschtitsa.  In eerste instantie zie ik niet eens dat het een kerkhof is. Ik zie een graf, groot, van een verzetsheld, 1876, natuurlijk, met daarachter een tuin. Een verwaarloosde tuin met manshoog gras en witte bloemen. Maar als ik beter kijk zie ik een paar stenen uit het gras steken. Eerst zie ik de grote stenen, de rijken, rijk genoeg om de tand des tijds nog even te weerstaan. Daarna ook de kleinere, en de kleinsten, de armsten, totaal overwoekerd door de natuur, verstopt tussen een groen met een langere adem dan zijzelf, zodat zelfs de half vergane jaartallen onleesbaar zijn geworden. Ik zie een kruis, van versleten oud steen, hier en daar nog een halve datum, “1907”, “1942”, en een enkele zwart-wit foto, opmerkelijk scherp afstekend tegen de groen-witte zee.

         En verder: niets. Niemand. Ik ben alleen. Ik ga op een muurtje zitten en staar over de stenen en het gras. Tien meter verderop zit een rode kat op een kruis. Hij komt net boven het gras uit.

Een uur gaat voorbij. Het blijft stil. Zelfs de torenklok van het kerkje houdt de tijd niet meer bij.

 

Zo moet een kerkhof zijn, precies zo. Hier wordt niets vereerd. Niet eens herdacht. Er is vereerd, ooit, lang geleden. En daarna vergeten. Aan de overwoekerde paden te zien is hier al jaren niemand meer geweest. Hier worden de doden met rust gelaten, zoals het hoort. Niet die verkrampte aanharkpogingen om de dood zo lang mogelijk op een afstand te houden. Geen nette paden die de chaos van leven en dood in nette banen moeten leiden. Maar verval. Zoals het hoort.

 

Wat overblijft hier is een kunstwerk, voor hen die het willen zien. Een bescheiden monument voor onze totale vergankelijkheid. Leeg, verlaten, vervallen en overwoekerd, stil en oogverblindend mooi. Precies zo hoort de dood te zijn.

 

Amen

 

 

 

 

blijf op de hoogte van ernst