Turkije - All-Inclusive
Turkije – Belek
5 december 2009
Het regent in Belek. Lullig. Voor een zonvakantie. Vijf dagen hier waarvan drie in de stromende regen. Lullig. Er zitten nadelen aan een all-inclusive vakantie. Driehonderd euro, alles inclusief: vlucht, hotel, eten en drinken. Dat is geen geld. Thuisblijven is goedkoper.
Wat een all inclusive vakantie vooral doet is je bewust maken van wat er niet is. Het zou all-inclusive moeten zijn. Maar dat is het natuurlijk niet. Te beginnen met de zon. En nogmaals, dat is lullig. Heel lullig. De zon is de enige reden om hier heen te gaan. Verder is de hele zuidkust van Turkije in het algemeen, Belek in het bijzonder, en specifiek het Atlantis Hotel waar ik al vijf dagen verblijf, het absolute voorportaal van de hel. Geen onaangenaam voorportaal, maar desalniettemin, een voorportaal. Zonder zon is de mens hier overgeleverd aan zichzelf. Een plek als deze dwingt tot zelfreflectie.
“waarom ben ik hier?`.
Het was de eerste vraag die in me opkwam toen ik hier maandagmiddag aankwam. Toen betrof de vraag alleen nog maar de plek waar ik was, het eerdergenoemde Atlantis Hotel. Ik bekeek het gebouw, dat megalomaan was. Een weinig gebruikt woord, ik geeft het toe, maar zelden meer op zn plek dan hier. Megalomaan. Al is het maar om het woord `oerlelijk` te vermijden. Ten eerste zou `oerlelijk´ grof zijn, en ten tweede onterecht. Het was niet lelijk, het was smakeloos, het probeerde iets te zijn wat het niet was. Groots, imponerend. Het probeerde iets uit te stralen wat het niet had. Klasse, stijl, luxe, smaak. Het hele gebouw, plus de inrichting. Het was veel te hoog gemikt, zonder ook maar iets te raken. Vandaar, megalomaan. Of anders, als megalomaan te groot is, `mislukt´. Vooruit, `mislukt` dan. Een mislukt hotel met een mislukte inrichting en mislukte bezoekers.
Ik bekeek de bezoekers. Ze waren oud, dik en hier is het woord `oerlelijk` wel degelijk terecht. Oud dik en oerlelijk. Allemaal. Of ze nou Duits, Engels, Nederlands, of Russisch waren. Allemaal een buik, allemaal grijs gerimpeld en uitgelubberd, allemaal een uitgebluste blik in de troebele ogen. Allemaal een beetje angstig, een beetje verveeld, en vooral allemaal klaar met het leven.
Om het maar eens ongenuanceerd te beschrijven.
Ze doolden door het mislukte hotel, op zoek naar…. Ja op zoek naar wat eigenlijk? Naar datgene wat ze beloofd was. Ze waren op zoek naar alles. Naar het heilige `all` van de all-inclusive. Ze bruinden hun mislukte lijven in een waterige zon. Ze wonden zich op over een potje kaarten. Ze dronken bier om elf uur ´s ochtends omdat dat ook in het all van all-inclusive zat blijkbaar.
Ik bekeek de echtparen. Alle bezoekers waren echtparen. Mislukte echtparen. Ik zag ze tegenover elkaar zitten in de mislukte lobby, in de bar en in het restaurant. Zwijgend, elkaars blikken net ontwijkend, om zich heen kijkend, alweer op zoek. Op zoek naar all. Ik stelde me voor dat hun huwelijken bestonden bij de gratie van andere dingen. Een baan, een tuin, een TV, een maîtresse. Iets om ze af te leiden van hun mislukte relatie. Maar hier in het Atlantis Hotel waren al die dingen er niet.
Zoals ik al zei; all-inclusive maakt je vooral bewust van wat er niet is.
Hier was geen enkel vangnet meer voor het enorme gewicht van hun vormloze lijven en hun even vormloze huwelijk. Hier was geen ontsnapping meer mogelijk. Deze plek was al een ontsnapping aan de werkelijkheid. Je kan niet ook nog eens ontsnappen aan de ontsnapping.
In al hun naaktheid werden ze geconfronteerd met zichzelf en elkaar. En daarna bleef er weinig meer over dan te zwijgen, te eten en te drinken.
Ik bekeek de buffetten, de eindeloze rijen met grote bakken met hetzelfde smakeloze eten. Enorme schalen rode vormloze massa´s met een bordje erboven waarop in vijf talen stond wat het ooit geweest was. `Hunchen`, `Gemuse`, `Frikadel`. Alles nu teruggebracht tot dezelfde smakeloze maagvullende homp. Drie maal daags weg te spoelen met zure wijnen en dood bier. Dit had weinig meer met eten te maken. Dit was opvullen. Na tien minuten in het restaurant ontplofte ik bijna. En een half uur later had ik alweer honger. Alsof ik nooit iets gegeten had. Zoals ik zei, met eten had het weinig te maken.
Ik bekeek dit alles de eerste dag, ik glimlachte in mezelf en dacht `waarom ben ik hier?`.
Maar naarmate de week vorderde, de eerste regendruppels voorzichtig vielen, de regen harder uit de hemel kletterde, de bliksem harder en dreigender donderde, de gasten van het Atlantis Hotel nog verveelder gingen kijken dan ze al deden toen ze aankwamen, hun stiltes langer werden en hun eetlust groter. En naarmate mijn behoefte om de interessante boeken die ik had meegenomen te verslinden, of de stapels films, verdween, evenals mijn aandrang om foto´s te maken van de treurigheid om me heen, om er grappige stukjes over te schrijven, naarmate de apathie toenam, werd de vraag steeds metafysischer.
`waarom ben ik hier?`.
Wat is in godsnaam de bedoeling van dit alles? Waarheen, waartoe, waarvoor?
Wat dit voorportaal doet, en dat is ongetwijfeld onbedoeld, is ons een spiegel voorhouden. En kijkend in die spiegel kan je niet anders dan jezelf de vraag stellen wat het eigenlijk betekent om mens te zijn.
`is dit een mens?`
Primo Levi stelde de vraag naar aanleiding van Auschwitz. Maar het Atlantis Hotel laat ons dezelfde vraag stellen. Misschien zijn de twee wel de twee uitersten van hetzelfde spectrum. Daar was niets, hier is alles. Maar in beide gevallen is overleven het hoogst haalbare.
