Georgie - Batumi
De vraag blijft of het nou een hoerenkast was, of niet. Onbegrijpelijk. Een lastige vraag om te beantwoorden als je pas een paar uur in een land bent waar je sowieso niets van begrijpt. Na een paar uur in Batumi was Georgie in alles een raadsel. Dit bordeel kon er nog wel bij. Batumi zou de Russische Riviera zijn. Of op zijn minst zijn geweest. Hoge bazen van het Staats-apparaat zouden hier hun communistische louweren hebben gerust. Dat was het eerste raadsel. Batumi is een bouwval. Een vervallen stad vol met verroest staalplaat versierde flats en afgebladderde neppaleisjes die ’s nachts in groen en paars worden uitgelicht.
En het strand van Batumi is het Lelijkste Strand ter Wereld. Het is een statement, ik weet het, maar ik maak hem. Hopeloos en troosteloos. Vieze grote grijze keien, overwoekerd met onkruid, waar een smerige bruine zee vermoeid tegenaan beukt. Grote harige mannen in hoog opgetrokken fletse zwembroeken liggen op vale te kleine handdoekjes te roken in de schaduw van een rode glijbaan zonder trap.
Er staan strandtentjes, maar ze zijn allemaal gesloten. Of vervallen. Of allebei. Naast een post-apocalyptische aluminium constructie met dolfijn-fonteinen verrijst een levensgrote driemaster-kroeg. Daarachter een beangstigend brede totaal verlaten boulevard, mat bankjes waarop in krulletters “Boulevard Batumi” staat geschreven in roestvrij staal, en een eindeloze rij gigantische lantaarnpalen, zodat je ’s avonds kan zien dat hier geen hond komt. Even verderop een cross-baantje voor te kleine quads om een lege sokkel van een verwijderd standbeeld, een ballentent waar een jongen wezenloos zit te wachten tot er iemand een gooi komt doen naar een Russisch badmintonsetje. En in de verte, op het einde van deze nachtmerrie; een gigantisch leeg reuzenrad, dat tergend langzaam zijn zinloze rondjes draait als een enorme klok die de laatste uren wegtelt van dit onheilspellende oord.
En dan de mensen: nog een raadsel. Niemand lacht in Batumi. Niemand. Niemand zegt iets tegen ons in Batumi. Mensen staren naar ons. Allemaal. Ijzig. Ik kijk iemand aan, ontmoet twee koude ogen, ik groet, glimlach, en krijg totaal geen reactie terug. Alsof we buitenaardse wezens zijn. Die hen komen ontvoeren. En dan nog. Al waren we het. Als ik hier woonde, zou ik bidden om ontvoerd te worden. Dagelijks. Op mijn blote knieen.
Deze mensen niet. Die bidden niet. Die hopen niet. Ze lijken wel lamgeslagen. Zwaar gedrogeerd. We zijn hier te kort om dingen te weten, maar dit schreeuwt om een theorie: drugs, teleurstelling, misschien missen ze het communisme, of juist niet, of missen ze geld, of een toekomst. Of misschien zijn ze gewoon allemaal dronken.
Een klein schoenmakertje wenkt ons naar binnen in zijn kubieke meter werkplaats. Vriendelijke uitzondering op de regel die Batumi heet. Zijn muren hangen vol fotootjes: auto’s, vrouwen, en de Beatles. De man heeft smaak. En hij heeft Maria. Hij heet David, en hij spreekt nauwelijks Engels, maar hij is blij ons te zien, en dat moet gevierd worden. Hij knikt, verdwijnt, en komt even later terug met een liter wodka. Het is elf uur ’s ochtends.
Nogmaals, misschien zijn ze hier allemaal dronken. Of ze hebben een kater.
Nog meer raadsels. Tussen de oudste Lada’s rijden de duurste nieuwe auto’s. op de vervallen binnenplaats van ons hotel staan zes Mercedessen en een stretch-limo, nummerbord LUX 001. Overal zijn casino’s. Nergens een boeken- of een platenwinkel. Nergens een gezellig restaurantje, of een leuke kroeg, maar wel meer fruitmachines dan Las Vegas.
Dus was het nou een hoerenkast of niet? Als het geen bordeel was, was het wel een rare kroeg. Met bamboe op de muren en het plafond, groene vloerbedekking met ongedefinieerde vlekken, en de hoek een ongebruikt keyboard, en een karaoke-set. En toevallig alleen maar vrouwelijke klandizie. Dat kan.
Als het wel een bordeel was, was de atmosfeer wel erg onerotisch. Met TL-buizen in plaats van kaarslicht, en de Georgische Frans Bauer in plaats van wat intieme sfeermuziek. En de vrouwen wel heel erg oud, dik en lelijk.
De vrouwen groeten ons vriendelijk als we binnen komen. Geen man te bekennen. Vijf vrouwen, tussen de 35 en de 60 jaar. Tussen de 80 en de 100 kilo. Schat ik. De Oudste en dikste begroet ons luid met “Hello Johnny!”. We bestellen bier en we krijgen gewoon bier. Toch een kroeg? Een pottenkroeg?
Er komen af en toe mannen binnen die wat zeggen tegen de vrouwen en weer verdwijnen. Klanten? Pooiers?
We komen uit Holland, ja, net als de presidentsvrouw hier, en even later staan we het Wilhelmus te zingen.
Er wordt een microfoon onder mijn neus geduwd, en weer weggerukt, en de blonde oude dikke taart begint iets in het Russisch te zingen. Ze knijpt met haar worstvingertjes in mijn gezicht, in mijn neus en mijn wangen, lacht, en mompelt dat ik “een Russische neus heb”, ofzo. Is dat een compliment? En zo ja, wat kost dat hier, een compliment?
Dan wil ze dansen. De barvrouw gooit de muziek nog wat harder. Wij nemen nog maar een slok van ons bier terwijl we ons best doen om niemand aan te kijken.
Dansen? Nee dank je. Ik heb drie weken niet geneukt, maar er zijn grenzen. En daar lig jij ver achter. Ik kan je zien leggen in de verte, daar ben je groot genoeg voor. Maar ik ben niet van plan om een visum aan te vragen.
We betalen en verdwijnen. Makkelijk. Geen hassle. Niets. Was het dan toch gewoon een kroeg?
Laten we zeggen van niet. Laten we zeggen dat het toch een bordeel was. En dat achter het gordijntje, achter de bar, een enorm groot, versleten en doorweekt matras ligt. Waarop alle mannen van Batumi hun maagdelijkheid hebben verloren op deze enorme vrouw. En dat ze daarom allemaal nog steeds zo apathisch kijken.
Batumi:
“je hoeft niet eens dood te zijn,
om er gevonden te worden”
