Nepal - Kuifje rond de Annapurna's

donderdag 06 juni 2002 | Azië

Namaste

  

Het is vreemd om na 2 weken Trekken (=Lopen; red.) terug te keren in de bewoonde, beschaafde wereld. Vreemd om weer auto's te zien. (Mijn zintuigen zijn nog niet ingesteld op het herkennen van een claxon en ik word regelmatig bijna aangereden.) Vreemd om weer luxe te hebben. ("Dat witte porseleinen ding op de grond zal wel de WC zijn, maar waar zijn de vliegen?"). Maar vooral vreemd om geen doel meer te hebben. Hoe zwaar het ook moge zijn geweest, waarover zodadelijk meer, het is heerlijk om 2 weken lang wakker te worden met een duidelijk Doel. Namelijk, ergens komen. Lopen. Van A naar B, en vooral over de bergen en door de dalen die tussen A en B liggen. Altijd. Dit is namelijk niet zomaar een Trek. Dit is de Annapurna Circuit Trek, een tocht die weliswaar begint en eindigt in de zachtgroene glooiende naamloze heuvels van zo'n 1000 meter hoogte rond Pokhara, maar die dwars door het wilde hart van Het Tibetaanse Plateau van de Himalaya voert, met als hoogtepunt de doorkomst op Thorong La Pass, met 5416 meter de hoogste pas ter wereld. En met mij erop de hoogste Pasch ter wereld. En met mij erop op mijn verjaardag, de hoogste verjaardag ter wereld.

 

 

Lang zou ik Leven!!

 

 

Vreemd om nu te moeten gaan beschrijven hoe de tocht was. Ik heb natuurlijk 2 weken de tijd gehad om erover na te denken, maar juist omdat ik er 2 weken over heb nagedacht weet ik al hoe zinloos het is. Het valt niet te beschrijven. Ik kan beelden oproepen, die ik eventueel later aanvul met de tientalle foto's die ik heb gemaakt, maar het dekt de lading niet. Het was geweldig. Het was geweldig zwaar. Ik heb gelachen, ik heb gehuild, er waren dagen dat ik meerdere malen ben gestorven, van uitputting, hoogteziekte, pijn, en van pure schoonheid. En even zovele malen werd ik weer herboren. Herboren uit de schoot van Moeder Himalaya, een landschap zo oud, zo oer, en zo puur, dat ik het meteen herkende toen ik het zag. Een landschap ouder dan de mensheid zelf. Een landschap dat ons ook met afstand zal overleven.

 

 

"Ik zou graag denken", schreef ik op 27 mei in mijn reisverslag, "dat ik het Gevecht aanga met deze berg. De Strijd tegen de Elementen, enzo. Maar dat is niet zo. Er is geen strijd. Er valt niets te winnen. Ik kan nog zoveel ploeteren als ik wil, het kan deze berg geen moer schelen of ik al dan niet uitgeput haar top bereik, omkeer en de aftocht blaas, of ter plekke besluit mijn wanhopige ik in de afgrond te storten. Die berg staat er toch nog wel een paar miljard jaar".

 

 

Ik zou graag verhalen schrijven over deze bergen. Hoe het is om dagenlang tegen reuzen van 8000 meter aan te kijken, er tussendoor te mogen lopen, gedoogd te worden, bijna. Hoe het is om tijdens een moordende klim van 2 uur in de brandende zon het uitzicht stukje bij onmerkbaar beetje spectaculairder te zien worden, als een vrouw die zich tergend langzaam uitkleedt, om boven aan de top een colaatje te drinken met een vrouw die al haar hele leven hier woont, in dit landschap, en dat dat uit elke vezel van haar lichaam straalt. In alles zitten de bergen, in haar ogen, haar rimpels, haar handen, haar lach, ja, vooral in haar lach, en te praten met haar, terwijl zij haar zoon borstvoeding geeft en in de verte een lawine van eeuwige sneeuw zichzelf honderden meters naar beneden stort en het geraas ons pas minuten later bereikt omdat de bergen er wel uitzien alsof je ze kan aanraken maar ze eigenlijk honderden kilometers van ons vandaan staan.

 

 

Als ik dan toch een poging moet wagen om te omschrijven hoe het daadwerkelijk WAS, hoe het VOELDE, dan was het misschien wel zo:

 

Uit het Reisverslag van Ernst, 28 mei, 2002, Upper Pisang: "Je wordt 's ochtends wakker, doet je ogen open, en op de rand van het bed zit een vrouw. Je weet niet hoe je het weet, maar je weet het zeker: Dit is de Mooiste Vrouw Ter Wereld. De Vrouw aan wie gedichten gewijd zijn, toneelstukken, liedjes, om wie oorlogen gevoerd zijn, voor wie honderdduizenden mannen het leven hebben gelaten. Helena van Troje. Zij is Het. Ze buigt zich naar je toe en fluistert: "Vandaag ben ik van jou. Alleen vandaag. Alles of niets. Als je met me meegaat laat ik je plekken zien waar nog geen sterfelijke man geweest is. Het zal zwaar zijn, en als je eenmaal vertrekt is er geen weg meer terug. 1 Onvergetelijke dag. En daarna verdwijn ik weer. Voorgoed."

 

 

En natuurlijk ga je! Je kleedt haar uit, je straalt haar, je zoent haar, je vrijt met haar, komt in haar, zij komt klaar, jij komt klaar. Het is het ongelofelijkste moment van je leven. Je denkt dat dit het was. Je wilt haar al bedanken, maar voor je iets kan zeggen sleurt zij je weer op zich. Dit is nog maar het begin. En verder ga je. Ze sleurt je mee langs ravijnen, peilloze afgronden, ze bedelft je onder ijskoude lawines, graaft je op, draait je om. Je bezwijkt bijna, maar je moet door. Je smeekt om genade maar ze kent het woord niet eens. Onverzadigbaar is ze. Over bergtoppen, langs vulkanen, watervallen, standjes waarvan je nooit had kunnen bedenken dat ze uberhaupt fysiek mogelijk waren. Je huilt, je lacht, je schreeuwt en zij schreeuwt terug: "harder, dieper!". Je wilt terugkruipen in Haar, als een pasgeboren kind dat de wereld niet meer wil.

 

 

En dan, als je net denkt dat je gaat sterven van uitputting, van genot, dan glijdt ze plotseling van je af. -"Klaar", zegt ze, "dat was het." Ze laat je even alleen liggen op het doorweekte matras. Je bent niets meer. Je bent alleen nog maar je zintuigen. Je voelt het schrijnen van je lul, het tollen van je hoofd, je voelt hoe je hele lichaam nasiddert avn ongeloof. Je ruikt het zweet, het sperma, en iets dat wel de mooiste bloem ter wereld moet zijn. Je doet je ogen open en je ziet hoe ze haar haar borstelt, tot het als een perfect gouden laken, langs haar schouder en haar borsten over haar goddelijke lichaam valt. Ze is een moeder, een hoer, een godin. Ze kleedt zich aan, loopt op je af, pakt je gezicht beet, geeft je een zoen op je voorhoofd, laat je nog 1 keer verdrinken in haar eindeloze ogen, en dan komt het: Ze draait je hoofd een kwart slag, tot haar mond vlak bij je oor is, en fluistert: -"Tot morgen.", en vertrekt.

 

Zo gaat het nu al dagen."

 

 

I rest my case

 

 

 

 

Tot mails
Liefs Ernst

 

blijf op de hoogte van ernst