Kaspische Zee - van Azerbeidjan naar Turkmenistan
Iedereen heeft verhalen nodig. Voor later. Als je niks meer meemaakt. Om te vertellen. Aan je vrienden. Of je kinderen desnoods. “Ja, toen papa zo oud was als jij…”. En dan iets opzienbarends. Precies om die reden nam ik een paar weken geleden in Bulgarije nog zes pubers mee naar een Fetish Club. “Kom op, je leeft maar één keer, en straks ben je oud. En dan is het toch fijn dat je nog wat munitie hebt om indruk te maken op je nageslacht: Papa is nog ooit in een Fetish Club in Sofia geweest. Probeer dat eerst maar eens te evenaren. Dan praten we verder. En nu huiswerk maken!”. De club viel trouwens tegen. Geen verhaal. Wel humor. Maar het had een verhaal kunnen zijn. En iedereen heeft verhalen nodig.
Iedereen zou de veerboot van Baku naar Turkmenbashi moeten nemen. Dit is zeker een verhaal. In de Lonely Planet stonden spookverhalen over overtochten die wel dertig uur konden duren. De Lonely Planet is voor homo’s. Watjes. We zijn nu achtenveertig uur onderweg en het einde is nog niet in zicht. Turkmenbashi wel trouwens. Dat is al bijna een dag in zicht.
Maar zie er maar eens te komen.
Het begon nog zo veelbelovend. Ok, we hadden de haven van Baku al zes keer bezocht, maar toen hadden we toch mooi twee kaartjes weten te bemachtigen voor en boot, de Professor Gül, die die avond om half zeven zou vertrekken. Hoe moeilijk kon het zin?
Toen we om een uur of zes hoopvol in de haven aankwamen zaten er een man of tien te wachten. Geen boot. Die was onderweg. De eerste tegenstrijdige berichten kwamen binnen.
De boot was er bijna.
De boot was er over twee uur.
De boot was er over zes uur.
Toen bleek de boot die kwam niet onze boot te zijn. De mensen die er al zaten, zaten er al vanaf zes uur. ’s Ochtends. En hún boot was er over twee uur, of zes uur. Onze boot kwam misschien morgen. Misschien.
Voor de eerste keer, de eerste van vele keren die avond en nacht, probeerden de Dokter en ik de zaken op een rijtje te krijgen: geen boot, en een visum dat over een dag afloopt. Hmmmm.
Wachten.
Iemand stelt voor om de kapitein om te kopen. Natuurlijk. Dat we daar zelf niet aan gedacht hebben. De Dokter gaat naar de kapitein met een Azerbeidjaanse jongen die voor een kleine vergoeding best wil tolken, maar de kapitein is onvermurwbaar. Helaas.
We willen gaan voetballen, maar voetballen is verboden. De politie jaagt ons terug naar het wachthok.
Even later stelt dezelfde politie aan ons voor om hun om te kopen. We knipperen even met de ogen. Sorry? Heel simpel: wij kopen de politie om, die overtuigen de kapitein dat het voor iedereen beter is dat ie ons meeneemt, en iedereen is blij. Aldus de politie. En natuurlijk. Waarom niet? De politie is je beste vriend. Zeker in Azerbeidzjan. Je moet er niet aan denken dat het je vijand is.
De Dokter praat met de politie. Ze willen negentig dollar. Of nee. Ze willen toch honderdtachtig dollar. En als die twee Amerikanen ook mee willen? Dan willen ze driehonderdzestig dollar. We klappen een paar keer met de handen uit en komen uit op vijfenveertig de man. Over alles valt hier te onderhandelen. Voor honderdtachtig dollar komen we zeker aan boord, aldus de politie.
Een van de Amerikanen vraagt of het wel veilig is om ons geld zomaar te geven, zonder garantie?
“Natuurlijk is het veilig. Het is de politie!”
Azerbeidjaanse logica.
Na een paar uur komt de boot. De Dokter gaat naar de politie met geld en paspoorten. Maar de politie wil niet meer. Ze zijn bang. Bang dat wij iemand gaan vertellen dat wij ze hebben omgekocht. Sorry? Jazeker, Azerbeidjaanse logica, alweer. Er is geen speld tussen te krijgen.
We eten een kip. Dat helpt. De passagiers verdwijnen op hun boot, die stuk blijkt te zijn. Gerechtigheid. Ik hoop dat ie zinkt.
De Amerikanen storten zich op de politie en verzanden al snel in een langdradige uiteenzetting over Russische geschiedenis en tapijten. Ik neem mijn gitaar mee naar de Wc’s en zing mijn longen uit mijn lijf. Lekkere akoestiek.
Het is ver na middernacht als er rumoer ontstaat. Er komt een boot aan, en het schijnt de onze te zijn. Iemand verzamelt onze paspoorten. Het meest hoopgevende wat er in uren is gebeurd.
Ik begin aan mijn tweede pakje sigaretten. “Guess I picked the wrong day to quit smoking”.
Een hele tijd gebeurt er niets. Dan verdwijnen één voor één de laatste passagiers richting een duister hok. Wij worden tegengehouden. “vrouwen eerst”, aldus de politie, terwijl de ene dikke Azer na de ander passeert. Uiteindelijk zijn wij aan de beurt. Als laatsten. De agent weegt ons. Hij overlegt met zijn collega en zegt dan met een stalen gezicht dat we “One hundred dollar. Each.” moeten betalen. “For registration”. Ik hoop dat de man sterft aan een bloedende darmziekte. Ter plekke. De man blijft staan en herhaalt het bedrag terwijl ie ons met zijn paddenkop blijft aankijken. Honderd dollar. Take it or leave it. ik moet even denken aan de Oostenrijkse agent die ons een maand geleden in Salzburg van de snelweg schopte. Die kan nog een hoop leren van deze rat.
We betalen. We vloeken en betalen. Vermoeid, bang voor hoop en gevuld met een stevig portie paranoia vervolgen we onze weg door de douane. Extra aandachtspuntje voor de Europa-Index: het aantal meters per uur door douane-land en het aantal dollars dat nodig is om er doorheen te komen. Daar moeten ze in Brussel nog maar eens naar kijken als Azerbeidzjan zich aanmeldt voor de EU.
De man van het röntgenapparaat staart zo lang naar zijn beeldscherm dat ik allang niet meer geloof dat er überhaupt röntgen in zijn apparaat zitten. Er zitten gewoon hele kleine Azerbeidjaanse mannetjes in, die tassen openmaken. Als wij aan de beurt zijn besluit ie eerst te gaan roken. Natuurlijk. Wij wachten wel. Weer iemand die ter plekke dood mag neervallen. Hoeveel mensen kun je haten op één avond?
Na een lang verhaal over Georgiërs die hun kinderen roosteren boven een vuurtje mogen onze tassen door zijn machine heen. De dwergen zijn blijkbaar gaan slapen. Binnen een minuut zijn we bekeken en goedgekeurd. Nu moet een Azerbeidjaanse vleesboom onze paspoorten hebben. Het stuk vleesgeworden chagrijn, honderd kilo schoon aan de haak, snapt mijn naam niet. “What’s your name? What’s your name?!”. Ze blijft de vraag maar op me afvuren alsof ik in fockin’ Guantanamo Bay zit. ik weet niet meer hoe ik heet. Ik weet niets meer.
“Burgemeester. Burgemeester van Amsterdam. Koninkrijk der Nederlanden”. Schrijf maar iets op. Ze schrijft iets op en we zijn weer een meter verder.
Het is al na vieren. Nu alleen nog een stempel. De stempelkoning van Baku staat erbij alsof ik hem moet pijpen voor een stempeltje. Ik zou het zo doen. Als ik hier maar weg kom. Gewoon aardig zijn blijkt ook genoeg. Hij hoeft niet eens geld van ons. Een sigaret mag ook. Of een pakje. En de erkenning dat ie zeker meer wodka kan drinken dan wij allemaal bij elkaar. Ik gun het hem. Alle wodka van de wereld. Plus een hersenbloeding.
Dan eindelijk de Boot. De Professor Gül. Hij ligt er. We klimmen aan boord. Het is vijf uur ’s ochtends. Boven aan de trap staat iets wat op een vrouw moet lijken in het Russisch te schreeuwen. Er walmt een wodkakegel langs haar gouden tanden. Ik ben blij dat ik haar niet versta. Ik vind haar zo al eng genoeg. Hut zes, ja, dat versta ik, en daar moeten we zijn. Ze heet Zamiera of Zariema, en ze heeft lakens en een stem die zeemeeuwen dood op het dek laat vallen.
Dan varen we weg. Het bestaat. De Dokter en ik staan aan de reling met een glas wodka en zien Baku in de verte verdwijnen. Ik hoop dat het afbrand. Nu, morgen, snel. Ik hoop op een ontploffing, een vuurbal, en het gegil van stervende douanebeambten en politieagenten. Er gebeurt niets. Wij varen weg, en Baku verdwijnt aan de horizon.
Dit alles is nu zesendertig uur geleden. Binnen twaalf uur waren we voor Turkmenbashi. Let wel: Vóór. Niet te verwarren met Ín. De schipper mag niet naar binnen. Of hij wil niet. Volgens sommigen aan boord wacht ie op lading in de haven. Volgens sommigen kan dat makkelijk drie dagen duren. Volgens anderen wel zeven. Ik weet het niet meer. Ik ben opgehouden met weten. Toen de vleesboom mijn naam vroeg. Het lucht ook op. Om niet te weten. Niet te hoeven weten. Dit zou bijna een vakantie kunnen zijn. Als er eten was. En drinken. En roken. Maar alles raakt op. We hebben nog twee komkommers en een blikje tonijn in tomatensap. Nog vijf sigaretten, een kwart pak oude shag, en een halve fles wodka. We dromen van chips, bier en taart. En we wachten. Gisteren sliepen we. Nu wachten. Wachten. Wachten.
