Marokko - Taffraoute
Marokko – Taffraoute
20 juli 2005
ik zit in cafe-restaurant Etoile d’Agadir en kijk naar buiten. Naar Taffraoute. Er gebeurt weinig hier. Weinig tot niets. Dat heb ik nu al door. Er rijdt een oude Peugeot voorbij, een man met een tulband op een mountainbike, twee zwartgesluierde vrouwen. Een oude man schraapt zijn keel, rochelt naar oud-Marokkaans gebruik, spuugt op de grond voor het terras, en slentert verder. Welkom in Taffraoute.
Het maakt niet uit. Een van de mooiste dingen van reizen is dat alles mooi kan zijn. En belangrijk. Zoals gisteren: twaalf uur in bussen en taxi’s om hier te komen vanuit Essoueira. Twaalf uur. Onderweg zijn is reizen. En andersom. Onderweg zijn en waarnemen. Overgave aan het moment. Dat werk. En ik ben de fuckin’ zen-koning van Marokko.
De Atlantische kust, Agadir met z’n vervuilende fabrieken en z’n toeristen met een hoger gewicht dan IQ, een schitterende taxi-wissel in Izegane, een eindeloze zoektocht naar een bus in Tiznit, een prachtige zonsondergang in de bergen vanuit de laatste bus, ik zit erbij en ik kijk ernaar. Zoals ik nu kijk naar Taffraoute. Nog steeds niks.
Het is warm hier. Dat zie ik met m’n ogen dicht. Dit is waar de jongetjes worden gescheiden van de mannen. De jongetjes sterven hier midden op straat, kokend in hun eigen bloed. De mannen stappen daar rustig overheen, huren een mountainbike, en gaan de bergen in. Ik ben een man. Hoop ik.
Het grootste risico van Taffraoute is dat je zo je best moet doen om er te komen, dat je er iets van gaat verwachten. En dat het dan tegenvalt. Zoals het Meest Chique Hotel van de Stad, Hotel les Amandier, waar je tien keer zoveel voor betaalt als voor een normaal guesthouse om je vervolgens de hele avond op je semi-chique kamer af te vragen waar dat geld dan in zou moeten zitten: in de airco die het niet doet? In de TV met drie sneeuwende kanalen? In de zure wijn? In de koude douche? Of in het uitzicht dat je niet ziet omdat het donker is? Terwijl de meerwaarde enkel en alleen zit in de blik van de man achter de balie als ik m’n rugzak en m’n smerige kloffie zijn kaktent binnenloop. Daar betaal ik graag driehonderd Dirham voor…
Nog steeds niets. Er rijdt nog een auto voorbij. Ik moet aan mijn opa denken. Mijn opa woonde in Eindhoven met uitzicht op de aan- en afvoerroute naar de A2. mijn opa die de hele dag in de stoel voor het raam kon zitten bij ons thuis in een nieuwbouwwijk in Valkenswaard en dan af en toe naar mijn moeder riep als er een auto voorbij kwam: “he Sjan, een auto! Bel de krant!”
Taffraoute. Man, de wereld zou kunnen vergaan en hier zou je het verschil niet eens merken. Rustiger dan dit wordt het niet.
Een uur later zit ik op een mountainbike. Ik ben een man. Voorlopig. Goedgemutst fiets ik de Anti-Atlas in. Rare naam: “Anti-Atlas”. Alsof deze bergen ooit in opstand zijn gekomen tegen de Atlas. “Fuck de Atlas, wij zijn Anti-Atlas!”. Of misschien heten ze wel gewoon zo omdat ze tegen de Atlas aanliggen…Anti…tegen….snap je? Laat maar.
Anyway, de Anti-Atlas dus. Een onbarmhartig landschap. Dat is een goed woord ja: onbarmhartig. In de winter sneeuwt het hier en vriest het een graad of tien. Nu is het minstens veertig graden. In de schaduw, wel te verstaan. Als die er zou zijn. In de brandende zon fiets ik tegen een berg op. Om de een of andere reden, waar ik even niet meer op kan komen. Ik sterf. Ik geniet. Masochisme op z’n best. Na een uur kookt alles: mijn hoofd, mijn lijf, het water in mijn tas, het zweet op mijn rug. Verderop zie ik een bord: “Auberge Tete du Lion”. Ergens in de bergen kun je hier met heel veel fabtasie een leeuwenhoofd zien. Als je maar weinig genoeg te doen hebt en lang genoeg kijkt zie je het vanzelf. Vandaar.
Bij de ingang hangt naast de Marokkaanse vlag een Belgische. Grappig. Ik strompel naar binnen en sta oog in oog met de Magerste Man van Marokko. Echt waar. En de witste. Het is dat ie praat en loopt en alles doet wat levende mensen doen anders zou ik gezworen hebben dat het een spook was. De Geest van de Anti-Atlas, ofzoiets.
De Geest hijst zich overeind in zijn witte jallabba – god, wat een skelet – prevelt iets in het Frans, walmt een klein kegeltje mijn kant op, en wijst waar ik zelf mijn cola kan pakken. Doodvermoeid ploft ie terug op de bank. Nog net geen geest, maar het scheelt niet veel.
Ja, hij komt uit België, vertelt ie even later als ik naast m zit te zweten. Uit Brussel, of Luik, nou ja, België, in elk geval. Hij neemt een flinke slok bier. En ja, hij is getrouwd, met een Marokkaanse, die hij hier ontmoette tijdens een bergbeklim-expeditie, ofzoiets. En nog een slok.
Hij was bergbeklimmer. En antiquair. Nou ja, hij was een paar dingen in elk geval. Laatste slok, nieuw flesje. Nu zit ie twee jaar hier. Of drie. Nou ja, hij zit in elk geval hier. Al een tijdje. Nog een paar slokken.
Hoe het hier bevalt, vraag ik ‘m. Er volgen een paar slokken, en daarna een heel verhaal in een soort Frans Engels, dat ik niet helemaal begrijp. “Bored”, zegt ie uiteindelijk, en ik snap ‘m. Het is zomer, geen toerist te bekennen. De dichtstbijzijnde stad is drie uur rijden. En de bergen dan, vraag ik. Weer een slok. Bergbeklimmen was het eerste dat zijn vrouw hem verbood nadat ze getrouwd waren. “too dangerous”, vond ze. Alles heeft ie geprobeerd: haar meenemen (wilde ze niet), stiekem gaan (kwam ze achter), hij heeft al anderhalf geen berg meer beklimmen, of zijn het er twee? Nou ja, hij heeft al een hele tijd geen berg meer beklimmen.
De Belg zwijgt, staart even naar buiten, waar niks gebeurt, helpt zichzelf overeind, strompelt naar de koelkast voor nog maar een biertje. Op dat moment komt zijn vrouw binnen. Ze lacht naar mij. Dan naar hem. Ze zoenen. Yep, mooi vrouw, moet ik zeggen.
Wat zongen de Eagles ook alweer?
“I guess every form of refuge has it’s price”. Ofzoiets.
