Uzbekistan - Tashkent - Zo'n Dag

dinsdag 22 juli 2008 | Azië

Er zijn van die dagen. Het is moeilijk te bepalen wanneer zo’n dag begint. Misschien op het moment dat Ali van Ali Tour B&B om tien uur ’s ochtends zijn derde wodka inschenkt – overigens niet om de verjaardag van zijn zoon te vieren, maar naar eigen zeggen om zijn suikerziekte te stabiliseren (natuurlijk Ali, en nasdrowje) – en ons terloops vertelt dat de grensovergang naar Kazachstan dicht is, trouwens, en dat hij, Ali, na nog een wodka, best wel een taxi kan regelen voor het luttele bedrag van slechts een paar honderd dollar.

 

Of misschien is dat al te laat. Misschien begint het al de dag ervoor. Met een uitputtende sessie met Sarbast de Verschrikkelijke en Belinda de Nog Ergere. Belinda. Mijn God. Raak nooit in gesprek met een vrouw die is vernoemd naar een sigarettenmerk voor hopeloze huisvrouwen. Dat is mijn tip van de dag. Belinda. Mijn tante Ine rookt het. Al jaren. Wat zeg ik? Al eeuwen. Haar man, mijn ome Jan, dertig lange huwelijkse jaren een eenzaam baken van stralende gezondheid in een Eindhovens rijtjeshuis dat continu blauw stond van de Belindarook, overleed vijf jaar geleden aan een hartstilstand. Tante Ine ziet er ondertussen uit als een slecht schoongemaakte asbak na carnaval, haar pasfoto zou als waarschuwing op pakjes een hele natie spontaan kunnen laten stoppen met roken, ware het niet dat zoiets ethisch totaal onverantwoord zou zijn, maar de goede vrouw leeft nog steeds. Onverwoestbaar.

 

Net als Belinda zelf. Al twintig jaar onderweg. Al honderden keren beroofd, bedreigd, gearresteerd, gemarteld, en aangerand, en nog steeds kan ze haar mond niet houden. Zelden iemand ontmoet die zoveel had meegemaakt en er zo weinig over te melden had. Een vleesgeworden opeenhoping van factoids.

 

“oh, en dat doet me denken aan toen ik toen daar en daar was en als jij daar ook bent moet je daarheen en dan daar in dat land in die stad in die kroeg moet je die persoon echt de groeten doen, en dan moet je met die persoon dat drankje drinken op die stoel aan die tafel terwijl dat liedje draait en dan dan moet je dat zeggen en dan moet je moet je moet je….”

 

En jij moet je bek nu eindelijk eens houden, Belinda. Ik krijg hoofdpijn van je, en je maakt mijn darmen van streek.

 

Ja, misschien begon het daar. Wie weet. In elk geval, Ali is weliswaar een autoriteit, maar ondertussen ook alweer toe aan zijn vijfde wodka. En wij weten op dat moment nog niet dat het Zo’n Dag is. Zo’n dag dat je gewoon je verlies moet pakken.

 

Ik bel de ambassade van Kazachstan, die via het antwoordapparaat laat weten dat ze effe  niet bereikbaar zijn. Gelukkig is er internet. Tenminste, in theorie. We lopen twee blokken verder naar een internetcafé, dat totaal verlaten is en waar alle computers vaststaan op een screensaver waarop in grote boze letters “this ain’t funny anymore” staat. Grappig dat dat soort details later pas op zijn plek vallen. Nog onwetend over het soort dag dat het is halen we iemand van buiten erbij die de computers aan weet te krijgen en vervolgens denkt dat het internet te bereiken is door zo vaak mogelijk op een muis te klikken. Dat blijkt niet zo te zijn.

 

We beginnen te vermoeden dat het Zo’n Dag is en nemen een taxi naar Hotel Dedeman waar het internet rijkelijk vloeit voor maar vijf dollar per dag, wat weinig is voor Zo’n Dag. In een totale Tashkentse verkeersopstopping blijft onze taxichauffeur maar controleren of zijn claxon het doet, terwijl de man naast me perse mijn telefoonnummer in Nederland wil hebben. Ik geef hem het nummer van TCA. Vol trots zet ie het in zijn telefoon onder Ernesto. Als de man een taxi naar Amsterdam kan betalen drink ik graag een biertje met hem.

Ondertussen blijft het verkeer staan waar het staat, blijft de claxon doen wat ie doet, en sturen wij onze taxi naar goed Georgisch gebruik over het trottoir naar Dedeman, want dat mag op Zo’n Dag.

 

De grens blijkt inderdaad dicht en dan valt het kwartje pas echt: Oh, Zo’n Dag. Eigenlijk moet je dan gewoon naar bed. of naar een zwembad, op zijn hoogst. Dan kan je wel met Kazachstan gaan bellen, maar dan krijg je alleen maar mensen aan de lijn die je vriendelijk uitleggen dat je romantische idee om van Kazachstan naar Kyrgystan te lopen alleen haalbaar is als je bereid bent om voor minstens vijftienhonderd dollar politieagenten om te kopen. Of iemand die er vijf minuten over doet om uit te leggen dat ie geen Engels spreekt. Of een faxmachine. Of helemaal niemand.

En dan kan je wel gaan lunchen, maar dan hebben ze nooit wat je wil. En wat ze hebben is twee keer zo duur en drie keer zo klein als normaal. Op Zo’n Dag kan een bodempje jus zomaar zes dollar kosten.

En dan kan je wel een treinkaartje gaan kopen, maar ook treinkaartjes zijn dubbel zo duur geworden. Treinreizen duren twee keer zo lang, en taxi’s zijn ondertussen onbetaalbaar.

Geld wisselen duurt opeens anderhalf uur, en het geld is alweer uitgegeven voor het geteld is. Op Zo’n Dag kan je zomaar een bezemkast als hotelkamer worden aangeboden voor nog geen vijftig dollar, andere hotelkamers dienen opeens tot nader order leeg te blijven staan om onverklaarbare redenen die zelfs in het Russisch niet uit te leggen zijn. Taxi’s stoppen zelfs niet meer, of taxichauffeurs staren minutenlang wezenloos naar een ogenschijnlijk simpel plattegrondje om vervolgens alleen maar “Njewasmosjna” te mompelen, voordat ze weg rijden. Dit soort dingen gebeuren op Dat Soort Dagen.

 

En als je dan eindelijk vermoeid en bezweet een hotel weet te bereiken dat ook nog eens een kamer heeft die ook nog eens betaalbaar is en de man achter de balie vriendelijk glimlacht dat je zelfs de swimmingpool mag gebruiken, “free of charge”, godverdomme, het is niet waar, je je tassen uitgeput op je kamer gooit, je zwembroek bijna kwijlend aantrekt, en de patio opstormt, staat het zwembad droog.

 

Er zijn van Die Dagen.

 

Morgen naar Kazachstan.

 

Misschien.

 

Inshallah.

blijf op de hoogte van ernst

ernst zien?