Het licht van Kazachstan
Het licht is zo mooi vandaag. Het danst. Het glijdt geruisloos onze coupe binnen en schildert het ene stilleven na het andere. Vermeer is even terug op aarde en hij woont in Kazachstan. Een oude Russische soldaat verbergt zijn gezicht in zijn handen terwijl het licht erlangs srijkt. Een meisje van amper twintig kruipt onder het licht door, vlijt zich neer op het laatste bed van onze coupe en ritst haar jurk open om haar eerste kind te voeden. Een oude man met een hoofd als een schildpad wacht op het moment dat de trein weer gaat rijden, zodat hij eindelijk kan gaan roken. Een coupe vol portretten, doodstil, zwijgend, wachtend. En dan dat licht.
Even later zet de trein zich in beweging. De verslaafden haasten zich naar hun rookhok. Buiten pakken donkere wolken zich samen boven een eindeloze steppe. Heuvels, gras, schapen, daarboven een donkergrijze dreiging, en daarachter nog steeds dat licht. Dat licht verdomme. Welkom in Kazachtstan. In kan wel janken.
De schildpaddenman keert terug naar zijn schildpaddenvrouw. Hij zegt iets. Zij lacht. Goud. Weer dat licht. De soldaat zit bij het raam en staart naar buiten, peinzend over twintig jaar oorlog. Afghanistan. Tsjetsjenië. Een groep wilde paarden verschijnt achter een heuvel. Rechts in de verte valt de regen met bakken uit de hemel. Links wil de zon maar niet onder gaan. Laat deze trein in godsnaam doorrijden. Precies zo. Deze mensen. Deze trein. Dit licht. Precies zo.
