Kyrgystan - Bishkek

zaterdag 09 augustus 2008 | Azië
En tenslotte het Niets. Het Zijn. Het Landen. Geen Conclusies. Geen Balans. Alleen een Staren. Verdwaasd. Uitgeteld. Als na een heftige vrijpartij. Bezweet. Vermoeid. En intens bevredigd. Wat blijft er daarna nog over? Wat blijft er over na een doldwaze achtbaan van twee weken door Kazachstan en Kyrgystan? Waar kan zoiets anders eindigen dan in brakheid, met een kater op een binnenplaats van een guesthouse in Bishkek, met Acda en de Munnik op de iPod en twee teiltjes vol vieze kleren.

 

Een naakte brakke reiziger, slechts gehuld in een vrolijke lendendoek, en twee bakken modderig water, vol van het stof van twee weken wilde avonturen in de bergen van Centraal Azië. Water en zeep voor de kleren. En wodka voor het hoofd. Veel wodka. Het hoofd laat zich een stuk lastiger schoonspoelen dan de kleren.

 

De achtbaan begon in de trein naar Kazachstan. Met het licht. Een licht dat ons is blijven volgen. Op het treinstattion van Tulkubas wacht Svetlana op ons als een engel in de nacht. Ze brengt ons naar een huis waar warm eten is, een warme douche en een warm bed, en de volgende dag stuurt ze ons een berg op onder de dreigende donder van een allesvernietigend onweer. Ergens. Elders. Maar ons kan niets gebeuren. Wij hebben immers een engel. Vlak voordat de hel losbarst bereiken we de laatste berghut en vanachter warm glas zien we spectaculairste zonsondergang uit de geschiedenis van alles. De zon bijt hoogstpersoonlijk een gat in het zwarte wolkendek en zet de hemel in brand: geel, oranje, rood, roder, roodst. De Gascrater in de lucht. Het kan niet. Ik kijk ernaar, ik zie het, maar het kan niet. Zelfs huilen helpt niet. Er zijn niet genoeg tranen om de lucht te blussen.

 

Het licht blijft ons volgen. En de muziek. Op het ritme van Tom Waits daal ik weer af. “Goodbey to the girl whith the sun in her eyes. I’ll kiss her and then I’ll be gone”

Ik ben weg, ver weg, van huis en van welke vrouw dan ook. Ik loop door een landschap als door een film. Geen idee meer wie “the girl whith the sun in het eyes” is. Ik lees het wel op de aftiteling.

 

Onze engel neemt ons verder mee. Naar Shymkent, naar een duister politiebureau, waar onomkoopbare agenten ons vijf uur laten wachten op een stempel die niemand ooit nodig heeft gehad, terwijl een vrolijke Rus ons uitlegt wat een bulldozer kost in Kazachstan. Men leert elke dag.

Ze neemt ons mee naar een meer, waar onwillige paarden, en waar de directeur van een bronwaterfabriek me zelfs laat waterskiën achter zijn scooter. Correctie: laat proberen te waterskiën. Onderwaterskiën is een beter woord. Waar koud bier is, en warme koffie, en het licht, altijd het licht.

 

Dan wordt het tijd om onze engel te verlaten. We nemen de trein naar Bishkek en geven Tjeerd en Suus een korte bijspijkercursus Russisch Omkopen voor Beginners. Men neme vijf woorden Russisch, twee handen, een treinconducteur, een willekeurig aantal moeilijke gezichten en diepe zuchten, en de magische wonderzin “Njewasmosjna wasmosjna”, men late dit een half uurtje sudderen en je hebt een coupe voor jezelf. We hebben geen engel. We zijn het. En zo slapen we ook.

 

Bishkek lacht in de ochtendzon. In een dag regelen we alles. We mailen Almaty, bellen Shanghai, we regelen met Fransen en overtocht naar China, boeken een Russische raft op een Kyrgische rivier, en laven ons aan Italiaanse wijnen. We zijn het centrum van de wereld geworden. Het kan niet anders.

In Karakol wachten de bergen. De Dokter en ik verlaten de bewoonde wereld als de twee slechtst voorbereide 4-daagse toeristen van hier tot Tokyo. Een brander die niet brandt, een tent die niet staat en niets met twee-persoons te maken heeft, hooguit verticaal, en Chinese bergschoenen die binnen een uur veranderen in kleine blarenfabriekjes. Maar wie mekkert er over blaren als je je voeten kan blussen in het koudste gletsjerwater? Wie wil er een brander als je kan koken op een knapperend vuurtje? En wie heeft er een tent nodig als je in een vallei van de goden slaapt waar de wilde paarden langzaamaan verdwijnen in de duisternis en de melkweg zich ontrolt als een lappendeken aan de hemel? De Dokter en ik koesteren het vuur, eten een koningsmaal, drinken onze wodka, kruipen knus op elkaar, en slapen als eskimo’s.

 

Het voordeel van een gasbrander is dat je kan koken boven de boomgrens. Merken we de volgende dag. Terwijl we maar doorlopen op zoek naar bomen. Een keer doodgaan is verplicht. Twee keer doodgaan is machtig en beitelt het fantastische uitzicht op Mount Karakol alleen maar beter in je geheugen. Drie keer doodgaan is een keer teveel.

Maar ook dat mag de pret niet drukken. En als het dat wel doet is er altijd een ijskoude rivier waar je je hoofd in kan duwen om de zaken weer een beetje in perspectief te zien. De natuur heeft alles. Je hoeft het alleen maar te zien. En tot je te nemen. De natuur heeft hotsprings waar je je vermoeide ledematen in kan laten rusten en waar je herboren uitkruipt rechtstreeks uit de schoot van moeder aarde.

 

En de natuur heeft rivieren om op te raften. Zondagochtend om negen uur stopt langs de weg naar Bishkek een oud roestig busje. Twaalf mannen stappen uit: groot, breed, kortgeschoren en zongebruind. Het Kyrgyzische leger is gearriveerd. Als een geoliede machine pompen ze onze boten op en een half uur leter zijn we klaar om Uzbekistan binnen te vallen. De rivier is wild en onze boot is gek. Een goede combi. Binnen een half uur schreeuwen de Dokter en ik alle Russische commando’s mee als volleerde soldaten: “Period!”. Recht zo die gaat. Rakelings langs rotsen en dwars door alle witte schuimkoppen heen. Voor ons probeert een jongen de rivier in een keer leeg te drinken, terwijl hij zich maar vast blijft houden aan de verkeerde kant van de boot: de buitenkant. Soms kan twintig centimeter rubber een wereld van verschil betekenen.

 

Drie uur later staan we weer op het droge met een kop soep. We liftten door naar Kochkor zonder een duim op te steken. Alleen engelen worden zo makkelijk meegenomen.

In Kochkor woont Yildiz. Yildiz maakt de sauna klaar. Yildiz kookt een koningsmaal. Yildiz vraagt honderd keer of alles goed gaat terwijl het overduidelijk is dat alles perfect is. Yildiz wil alleen niet met me trouwen. Ze wil naar Amerika. Natuurlijk Yildiz. Daar kan ik niet tegen op. “misschien een zoen dan?”, wil ik nog vragen, maar ik durf niet. Perfectie dient met rust gelaten te worden.

 

De volgende dag gaan we weer de bergen in. Ditmaal te paard. Nogmaals, men leert elke dag. En een zweep helpt daar soms bij. De Dokter en ik schakelen eerst nog moeizaam van de eerste naar de tweede versnelling, stuiteren een tijdje onze kont schraal, maar als we per ongeluk de derde vinden denderen we opeens in volle galop over de steppe. Fock lopen! Lopen is voor watjes. Lopen is voor voetvolk. Goden komen te paard. En ze schreeuwen “Djoef! Djoef!”

 

Het landschap verdwijnt. Leger dan leeg. Geen bomen, geen struiken. Zelfs het dorre gras was hier liever niet geweest. In de verte rookt een yurt. Wat doen die mensen hier in godsnaam? Een hele zomer lang Niets. Hoe leeg had u uw hoofd gehad willen hebben?

 

De dagen zijn lang en stoffig. We draven, we schreeuwen, we beklimmen een pas zonder een druppel zweet te verspillen. De denderen langs kuddes en yurts, we doen Indiana Jones na, we schroeien onze kuiten, kneuzen onze konten, breken onze ruggen, en we vergapen. Veel vergapen vooral.

De nachten zijn koud. De hemels totaal ongeloofwaardig. Zoveel sterren zijn er niet in een heelal. Zeker niet als ze maar blijven vallen. Zouden wetenschappers dat bedoelen met parallelle universa? En zouden ze hier, precies boven Song Kul Lake in Kyrgystan overlappen?

 

We slapen in een yurt. De vrouwen koken. De mannen drinken wodka. Hoe simpel kan het leven zijn? Wodka is een toverdrank. Als je maar genoeg drinkt spreekt iedereen dezelfde taal. En als spreken niet meer kan is er altijd nog de muziek. De man des yurts haalt een gitaar tevoorschijn en heft een treurig lied aan. “Waar gaat het over?”, vraag ik aan onze gids. Hij lacht. “Feelings”, zegt ie. Natuurlijk. Altijd en overal hetzelfde liedje.

De man zingt. Zijn vrouw zit naast hem met hun oudste dochter tegen zich aan. De parel van de vallei. Nog een fles wodka yurt wil haar nemen. Wat moet je hier anders? We nemen nog een wodka, rollen een matje uit, en dromen van paarden.

 

Nog een looping staat ons te wachten: Naryn-Tash Rabat-Torugart Pass-Kashgar. In Naryn stokt de achtbaan. De pas is dicht. Zegt man. Terroristische aanslag, vrachtwagen een politiebureau binnengereden, zestien doden. Het zal allemaal wel. Onze engel is gevlogen. 10.000 Kilometer gereisd, en gestrand op tweehonderd kilometer van de grens. We kunnen China ruiken, maar we komen er niet in. Langzaam glijdt ons karretje terug naar Bishkek. We vieren nog een dronken middelbare schoolreünie, we boeken twee tickets naar Urumqi, en na een avond vol wijn en wodka kunnen we het leven uitleggen met twee pakjes sigaretten en een aansteker. Dan zijn de sigaretten op, en de wodka, en is de achtbaan tot stilstand gekomen. De volgende middag hangt alles wat ik heb aan een waslijn. Schoon. Schoon en droog. Klaar om gevuld te worden met het stof van China.

 

 

blijf op de hoogte van ernst